Schrijven Over Schrijven
Dertien april 2026. Ik bevind me in een afgelegen huis op een halfuur rijden van Carcassonne, in Zuid-Frankrijk. Ik ben hier met een groep schrijvers, die allemaal les volgen bij de dichteres en schrijfster Sylvie Marie. Een van hen is de eigenaar van dit huis. Hij en zijn vrouw waren zo vriendelijk om ons hier uit te nodigen om in alle rust aan onze schrijfprojecten te werken en van elkaar te leren. Een hele week waarop de focus volledig op het schrijven ligt! Dat is lang geleden voor me. Eerlijk gezegd, boezemt de idee me angst in. Het is alweer even geleden dat ik me serieus op iets heb toegelegd. Ik heb al maanden geen zin om te schrijven; en ook geen idee wat te schrijven. Nu zit ik hier, een week lang gevangen voor een laptop zonder internet terwijl ik uit het raam de druivelaars nieuwe twijgen zie groeien.
We begonnen de eerste schrijfdag met een rondje waarin iedereen zijn of haar ambities uitsprak voor deze week. Sommigen onder ons hebben een concreet project waar ze aan willen verder schrijven, anderen zijn hier om inspiratie op te doen. Zelf val ik tussen beide categorieën in. Ik heb meerdere lopende projecten maar tegelijk geen enkel waar ik echt aan verder wil werken. Nog voor het ontbijt maakte ik een korte wandeling langs een veldweg. Ik hoopte daar een ingeving tegen te komen die mijn week zou kunnen dragen. Zoals zo vaak passeerden allerlei gedichten en verhalen mijn verbeelding als zeepbellen, die uiteenspatten zodra ik ze wilde vangen.
Zo verbeeldde ik me bijvoorbeeld een persoon die na zijn werk thuiskomt en tegen beter weten in een joint aansteekt zodat hij de rest van de avond in een verdovende roes kan doorbrengen. Maar zodra ik dan de stap zet naar een iets concretere uitwerking - welk werk doet die man? hoe ziet zijn huis eruit? waaraan probeert hij te ontsnappen? - loop ik vast.
Ik stel vast dat ik de wil of het vermogen niet heb om een vaag idee dat me aanspreekt dieper uit te werken tot een concreet verhaal. Ik ben de afgelopen jaren een kleuter geweest die met de blokken speelt. Soms komt daar iets moois of vindingrijks uit. Maar een huis bouw je zo niet.
Zo kwam ik tot het besluit om opnieuw te beginnen. Of eerder: opnieuw opnieuw te beginnen. Mijn schrijven is een voortdurend beginnen waarbij ik telkens alles probeer achter te laten wat het vuur van mijn twijfels niet heeft weerstaan. Alles opschorten dus. Ervan uitgaan dat ik taalvaardig ben maar verder helemaal niets van schrijven ken. Onmiddellijk dringt zich een eerste vraag op: waarom schrijven en niet niet schrijven?
waarom niet niet schrijven
Als ik er niet in slaag deze vraag te beantwoorden dan kan ik beter mijn boeltje pakken en vroegtijdig de schrijfweek verlaten. Ik heb het antwoord helaas niet klaarliggen, dus rest me de optie om de vraag al schrijvend te verkennen totdat ik een bevredigende conclusie bereik. Stel dat ik die niet bereik, dan zal mijn schrijven een oneindige poging blijken om zichzelf te verantwoorden. Een idee dat me eigenlijk best bevalt. Maar ik loop vooruit op de zaken.
Dat ik met deze vraag op het juiste spoor zit bewijst een passage uit Rilke's Brieven aan een jonge dichter. Een klein boekje van een groot dichter, dat ik meenam ter inspiratie en omdat het nog net in mijn valies paste.
Niemand kan u raad geven of helpen, niemand. Er is maar één enkel middel. Voel uzelf aan de tand. Onderzoek de reden die u dwingt te schrijven; ga na of die reden tot in het diepst van uw hart zijn wortels uitstrekt, beken uzelf of het uw dood zou zijn als u niet meer zou mogen schrijven. En vooral dit: vraag uzelf in het stilste uur van uw nacht af: moet ik schrijven?
Moet ik schrijven? Ik schrijf niet voor het plezier. Ik kan veel andere activiteiten bedenken die me meer plezier bezorgen. En als er al een plezier is dat uniek is aan het schrijven, dan is het het plezier van te weten dat je aan het doen bent wat je moet doen. Zo is het niet-schrijven ook een plezier: het plezier van juist niet te doen wat je moet doen. Beide plezieren veronderstellen hetzelfde moeten. Zonder dat moeten is schrijven een hobby en niet-schrijven een zinloos begrip.
Ik heb periodes waarin ik helemaal niet schrijf. Dat kan maanden duren, soms jaren. Ze eindigen altijd met een gevoel van verstikking. Alsof er zich iets in mij aan het ophopen is tot het niet anders kan dan ontploffen en naar buiten komen in een woordenstroom waarvan ik op het moment altijd denk, ja dit is het nù, maar achteraf moet vaststellen dat het toch nog niet dat was. Want zie mij hier nu voor de zoveelste keer mezelf afvragen wat ik in godsnaam aan het doen ben.
Die drang is altijd aanwezig, of ik er nu gehoor aan geef of niet. De laatste keer dat ik die drang herkende was ik in Rijsel. Een tentoonstelling over het werk van de Russische schilder Wassily Kandinsky, die een van de grondleggers van de abstracte kunst is. Zijn werk is enorm expressief in het gebruik van kleur en vorm. Ik kan het niet verklaren, maar zijn werk raakt mij diep.
Wat hij doet met kleuren en vormen, dat wil ik met woorden kunnen. De taal is dus voor mij een medium, net zoals dat voor Kandinsky de schilderkunst is. Dat vind ik al een belangrijke vaststelling. Er is een dwang tot expressie die een medium nodig heeft om uitgedrukt te worden, maar nooit tot dat medium beperkt kan worden.
Zo voel ik me meer verwant met de schilder Kandinsky dan met, om maar iemand te noemen, de schrijver Dan Brown. Het gaat niet om het medium, maar om de intentie die ik in hun kunst lees. Bij Dan Brown zie ik de focus op het resultaat: een goed opgebouwde en meeslepende thriller schrijven. Kandinsky daarentegen is blijven schilderen zoals hij vond dat hij moest schilderen, ook al is zijn werk herhaaldelijk afgekraakt door de kunstgemeenschap van zijn tijd. Boven het rumoer van de critici weergalmt de vraag: hoe ervaar jij de wereld?
Het minste wat ik over mezelf kan zeggen is dat ik een mens ben die leeft te midden van andere mensen in een wereld waarover ik weinig controle heb. Over zoveel jaar sterf ik. Daar is niets bijzonders aan. Planten en dieren sterven ook. Alleen wéét ik dat ik leef, en wéét ik dat ik zal sterven, én weet ik dat ik ik ben. Mijn bewustzijn vormt een eenheid die deel is van de wereld, maar er zich ook tegenover afzet. De pc waarop ik dit typ ben ik niet. De schrijfdocent die me inspiratie aanreikt, de medeleerlingen die me van feedback voorzien zijn mij ook niet. De grond van wat ik ben ontglipt hen en situeert zich net op de grens tussen mijzelf en de buitenwereld.
Nu ik er ben, is het zo duidelijk dat er geen twijfel meer mogelijk is. De wil om te schrijven is het gevolg van de innerlijke noodzaak om te ontsnappen aan de onontkoombare eenzaamheid van het individu in de wereld. De spanning tussen het één en het al. Verrassend hoe snel ik tot een conclusie ben gekomen.
Een conclusie vol tegenstellingen. De ontsnapping is al bij voorbaat onmogelijk. Geen enkel werk zal het individu verzoenen met de wereld. De schrijver onderneemt iets waarvan hij al weet dat het zal mislukken, en toch kan hij het niet laten. Bovendien is het schrijven nu net een eenzame bezigheid. Het is door zich af te zonderen van de buitenwereld dat de schrijver zijn innerlijke wereld gestalte kan geven, zodat die zichzelf als een doorzichtig vlies over de werkelijkheid kan trekken.
ik, jij en de wereld
We zijn halverwege de schrijfweek. We aten net een heerlijke aardappelsalade als middagmaal. Ik heb al veel bereikt, en tegelijk ook niets. Ik weet nu waarom ik schrijf, maar dat brengt me geen stap dichter bij een concreet verhaal of gedicht. Wel dringt zich een volgende vraag op.
De schrijver uit mijn vorige stukken leefde alleen op de wereld. Ik geloof niet dat zoiets mogelijk is. De filosoof Wittgenstein werkte het argument uit dat een privétaal, een taal die enkel begrijpelijk is voor een enkel individu, onmogelijk is. Hetzelfde kunnen we over kunst zeggen. Het is pas wanneer hetgeen geschreven door anderen wordt gelezen, dat het écht tot leven komt, en een tekst ontstaat. Door zich van de mensheid af te zonderen schept de dichter iets wat ze verbindt. Maar die verbinding is pas echt wanneer iemand anders ze oppakt.
Vanochtend las ik het volgende in Rilke's Brieven aan een jonge dichter.
En als er verzen ontstaan uit dit zich naar binnen keren, uit dit verzinken in uw eigen wereld, dan komt het niet bij u op om iemand te vragen of het goede verzen zijn. U zult ook geen poging doen om tijdschriften voor dit werk te interesseren, want u zult het beschouwen als uw dierbaar natuurlijk bezit, als een stuk en een stem van uw eigen leven.
Ik herken hier iets heel belangrijks. Het is de schrijver zelf die de eerste lezer van zijn werk is. En toch. Hoe moeilijk is het om ons gevoel van zelfwaarde als schrijver niet te laten afhangen van anderen? Ik wil de keren niet tellen dat ik mijn pen heb opgeborgen na een voordracht die niet landde, een publicatie die werd afgewezen, of een wedstrijd die ik niet won.
Toch is de ervaring van de ander ook meer dan een oordeel. Het is zuurstof. Ik ervaar dat hier in de feedbackmomenten en gesprekken tussendoor. We lazen bijvoorbeeld een science fiction verhaal van een medeschrijver. Het was een heel goed geschreven, meeslepend verhaal. Op een kantelmoment vertrekt het hoofdpersonage uit zijn geboortedorp, op naar een nieuw leven. Zijn geliefde volgt hem. Waarom beslist ze haar hele leven achter te laten en hem te volgen? Dat lazen we niet in de tekst.
Toen we onze medeschrijver daarop aanspraken, kon hij ons ook geen antwoord geven. Wat volgde was een hele conversatie over het belang om personages psychologisch uit te diepen, en meer specifiek de zo vaak passieve rol van vrouwelijke personages in fantasy of science fiction verhalen.
Waarom vertel ik dit? Het is maar doordat wij dit verhaal door andere ogen lazen, en dus vanuit ons eigen referentiekader tot leven brachten, dat dit gebrek naar boven kwam in zijn verhaal. Ik schrijf gebrek omdat het ook echt een gebrek is. Onze medeschrijver besefte dat ook meteen. Het is dan weer aan hem om hiermee aan de slag te gaan. Om zich af te vragen wie die vrouw die hij ietwat gratuit verzonnen heeft, nu werkelijk is. Of en hoe hij zijn verhaal verandert, beslist hij volledig zelf. Maar op een bepaalde manier is het niet meer zijn verhaal alleen. Wij hebben het gelezen. Wij hebben het gezien. We hebben hem met zijn eigen blindheid geconfronteerd.
Ik heb nu een medeschrijver als voorbeeld gebruikt, maar voor alle duidelijkheid: dit overkomt mij hier ook. En wel voortdurend. Het is juist in die interactie dat ik voel dat mijn tekst leeft, en iets betekent.
Elke schrijver die doet alsof de receptie van zijn werk hem onverschillig laat, is een huichelaar. Niet omdat schrijvers ijdel zijn, ook al zijn ze dat vaak. De reden is wezenlijker. Het werk van een schrijver heeft lezers nodig om een werk te zijn. Het kunnen weinig lezers zijn, de schrijver kan zelfs zijn eigen lezer zijn, maar zonder de ander is er geen kunst.
De pijn van een schrijver die niet erkend wordt moeten we dus in tweeën delen. Enerzijds het gekwetste ego, het ze zien me niet staan, waar we onszelf van moeten bevrijden. Anderzijds de bekommernis om het werk zelf, het besef dat een werk lezers nodig heeft om tot leven te komen. Als ik het citaat goed begrijp, vindt Rilke dat je alleen maar in jezelf hoeft te kijken. Daar ben ik het niet mee eens. Mijn eigen werk is juist beter geworden doordat ik de stap heb genomen om me bij een groep aan te sluiten. Een groep van mensen die het aandurven om elkaars werk diep in de ogen te kijken.
het onderwerp
Ik weet nu waarom ik schrijf. Maar hoe vertaal ik dat naar een concreet verhaal of gedicht? Een verhaal heeft een onderwerp nodig, net als een gedicht. Komt dat spontaan binnenwaaien, ga je er in de wereld naar op zoek, of is de keuze het resultaat van een doordacht proces? Het is natuurlijk alledrie tegelijk. Een keuze die louter het gevolg is van een rationeel project mist levendigheid. Spontaniteit is nodig, maar niet voldoende, want waarom geven we het ene idee wel gehoor en het andere niet?
Als schrijven zich op de grens tussen het individu en de wereld bevindt, is het de taak van de schrijver zowel zichzelf als de wereld te leren kennen. Elk schrijven is persoonlijk, wat niet wil zeggen dat het onderwerp de schrijver zelf moet zijn. Ik kan over mijn eigen angsten schrijven alsof ze op mij geen betrekking hebben, terwijl ik over een zwangere vrouw zou kunnen schrijven alsof ik zelf op het punt sta een kind op de wereld te zetten. Wat telt is een persoonlijke betrokkenheid met de wereld, niet de directe link tussen schrijver en onderwerp.
Ik zou bijvoorbeeld kunnen vertrekken vanuit mijn angst voor naalden. Daaruit kan een thriller komen van een seriemoordenaar die zijn slachtoffers met naalden verminkt. Als die gericht is op het publiek vermaken, is ze in mijn optiek waardeloos. Maar als daaruit een onderzoek volgt van wat het juist is dat die naalden zo angstwekkend maakt, dan krijgen we een heel ander verhaal. De naald doorprikt onze huid, en daarmee de illusie dat er een ik bestaat dat op zichzelf kan leven, onaangetast door de brutale wispelturigheid van de wereld. Niet het onderwerp zelf is beslissend, maar de vraag: wat zegt dit over mijn verhouding tot de wereld? Als daar iets in resoneert, is het een goed onderwerp. Ik schrijf resoneert, want het antwoord moet niet op voorhand gegeven zijn. Je kan als schrijver alleen maar gokken dat je het juiste onderwerp te pakken hebt. Je moet het daarna nog tot het juiste antwoord maken. Het werk is het antwoord.
Ik moet denken aan deze verzen van de Palestijnse dichter Marwan Makhoul.
In order for me to write poetry that isn't political
I must listen to the birds
and in order to hear the birds
the warplanes must be silent.
Hier is het onderwerp niet gekozen. Het is opgelegd door een werkelijkheid die zo luid is dat ze elke andere stem overstemt. Maar wat me het meest treft is niet wat Makhoul zegt, het is hoe hij het zegt. Hij schrijft niet: oorlog maakt alle poëzie politiek. Hij laat je het horen. De vogels die er zouden moeten zijn. De vliegtuigen die er niet zouden mogen zijn. De techniek is niet los te maken van het onderwerp.
techniek
Maar wat is techniek? Techniek, hoor ik de juf al zeggen, is beheersing van het medium. Als je muzikant wil worden moet je een instrument kiezen en dat leren bespelen. Je moet noten leren lezen en de vaardigheid verwerven om de juiste noten op de juiste ogenblikken te spelen. Hetzelfde geldt voor schrijven. Je moet de taal beheersen, je kan verschillende manieren leren om een gedicht op te bouwen, een rijmschema te volgen, een verhaal te structureren, een personage neer te zetten. Dit, zou ikzelf zeggen, is het objectieve deel van techniek, een ondergrens van wat je minimaal moet kunnen om kunst te maken. Hoe hoog die grens ligt hangt af van het soort kunst dat je wil maken. Een eenvoudige popsong kan veel krachtiger zijn dan een moeilijk klassiek stuk.
Wat maakt dat het ene technisch hoogstaande werk raakt, en het andere niet? Ik grijp terug naar Kandinsky om deze vraag te beantwoorden. Kandinsky ráákt me. Op de tentoonstelling in Rijsel zag ik het werk Impression V.

Kijk even met me mee. Zie je hoe de zwarte lijnen nog net op paarden lijken? Links boven krult een staart. Links van de rode driehoek in het midden, een zwarte vlek. Het zou een ruiter kunnen zijn. En die driehoek zelf, is dat een berg?
Het zijn vooral het spel van de vormen en kleuren die fascineren. Het is bijna mystiek hoe ze enerzijds slordig naast elkaar lijken gekleurd en anderzijds elkaar volmaakt aanvullen. De weinige concrete afbeeldingen hebben een rijke symbolische waarde, zo staat de ruiter voor Kandinsky voor vrijheid en beweging. De dingen zijn in hun essentie gevat. Het zijn de kleuren zelf die een gevoel oproepen, niet hetgeen ze afbeelden. Kandinsky had daar een hele theorie over: rood straalt kracht en levendigheid, blauw is de kleur van spiritualiteit, geel is aggressief en aards, groen is passiviteit, wit het potentieel en zwart de dood.
Of zijn kleurentheorie nu klopt of niet, ze vormt een doordacht geheel waarmee Kandinsky aan de slag kon om tot composities te komen die iemand als ik, die daar allemaal niets van kende, onmiddellijk konden raken. Dit is wat we misschien de subjectieve techniek kunnen noemen. De kleuren van Kandinsky herhalen zich door zijn werken heen, waardoor ze een inhoudelijke lading krijgen die de individuele werken overstijgt. Een schrijver kan kiezen voor korte, scherpe zinnen waaruit alle overbodige woorden verbannen zijn, of net bekend staan om zijn rijke, sierlijke taalgebruik. Elke keuze die een kunstenaar maakt is terug te voeren tot zijn verhouding tot de wereld.
Dit deel van de techniek is veel moeilijker, zowel voor de kunstenaar als voor degene die het kunstwerk beschouwt. Als kunstenaar kan je niet anders dan veel tijd doorbrengen met je materiaal, experimenteren, voelen, reflecteren, totdat je persoonlijkheid tot in de kleinste details gestalte krijgt doorheen de werken die je maakt.
En als toeschouwer ben je veel meer dan alleen toeschouwer. Jij bent de laatste schakel die nodig is om het werk tot leven te wekken. Misschien is een werk net echt sterk als het iets van onze ervaring toont dat we als toeschouwer nog niet kenden, en toch herkennen. Het schilderij van Kandinsky hierboven is niet zomaar een goede vondst, of een meesterschap van de schilderkunst. Het is een fase in een levenslange zoektocht naar de betekenis van kunst en leven. Dat ik het herken zonder zijn theorie te kennen, dat het me raakt zonder dat ik kan uitleggen waarom, dat is het bewijs dat de subjectieve techniek werkt. De ervaring die Kandinsky erin heeft gelegd vindt een aanknopingspunt in de mijne. Vanuit dat aanknopingspunt wordt mijn eigen ervaring verrijkt, en mijn band met de mensheid inniger.
En zo ontstaat er niet alleen binnen de werken zelf, maar ook tussen de werken een eenheid. Naast herhaling is er verschil. Een verloop. Een zoektocht die het individuele werk overstijgt. Als dat goed genoeg lukt, zoals bij iemand als Kandinsky, dan is dat als een bloem die in volle bloei staat. Zijn hele bestaan komt samen in een uitdrukking waar wij als toeschouwers stil van worden, want we zien onszelf erin uitgedrukt, op een manier die wij voorheen niet kenden. De bloem bloeit niet om mooi te zijn. De bloem bloeit omdat zijn aard hem dat oplegt. Net zoals de schrijver moet schrijven.
de aanzet van het begin
We zijn intussen aan het einde van de schrijfweek. Wat een week is het geweest. Teksten die al lang in de wachtkamer lagen, zijn grondig bijgeschaafd, gelezen en besproken. Voor sommigen was het een nieuwe start. Een paar van ons hebben meer gezocht dan gevonden.
Zelf heb ik goed doorgeschreven aan mijn essay. Daar ben ik blij om. Tegelijk vraag ik me af: heb ik wel echt iets gedaan? Was dit essay niet ook een manier om niet echt te schrijven? Wat ben ik met dit schrijven over schrijven?
Ik heb me voor dit slot alleen in een kamer gezet. Een dikke bromvlieg zoemt hardnekkig rond. Ik zou een raam kunnen openen, maar dat doe ik niet. Alsof de vlieg mijn twijfel is en ik erbij blijf zitten. Ik weet nog altijd niet hoe ik nu concreet moet beginnen. Was het idee van de man met de joint de moeite waard om uit te werken? Moet ik dieper nadenken over de werken van Kandinsky om er gedichten uit te puren?
Ik had ergens gehoopt dat ik met het schrijven van deze tekst tot een vaste methode zou komen om mijn schrijverschap verder uit te werken. Een houvast bij het kiezen van onderwerpen, het aanleren van technieken, het verdiepen van mijn eigen stem. Ik stel vast dat het zo niet werkt. Het zou ook al te gemakkelijk zijn mocht er een vaste methode bestaan om kunst te maken. Er is geen alternatief voor het moeizame proces van zelfrealisatie doorheen de interactie met de taal.
Wel weet ik nu iets over mezelf. Ik behoor niet tot de schrijvers die spontaan aan hun oeuvre bouwen. Ik heb altijd de neiging gevoeld om alles wat ik doe onophoudelijk in vraag te stellen. Lang heb ik die neiging onderdrukt omdat ik vond dat ik eerst moest schrijven en mijn sporen verdienen, voordat ik iets over het schrijven mocht zeggen, maar telkens kom ik tot dezelfde vaststelling. Ik kan niet schrijven zonder te weten waarom ik schrijf. Om dat te weten te komen moet ik schrijven over schrijven. En zo is deze tekst nog niet de nieuwe start waar ik op hoopte, maar misschien wel de aanzet die tot die start kan leiden.
Blij dat ik tot dit besluit ben gekomen, en uitgeput van de inspanning besluit ik een wandeling te maken. Ik stap tussen velden vol oude druivelaarsstammen waaruit nieuwe twijgen groeien.

